Materiaal

Er wordt wel geschreven over het ideale materiaal waarvan een saxofoon gemaakt zou kunnen worden. In werkelijkehijd doet het er betrekkelijk weinig toe, zoals vader Sax als muziekinstrumentmaker in Dinant al in het begin van de 19de eeuw constateerde. Ook zoon Adolphe hanteerde dit gegeven toen hij, vanwege het in het pré-electrische tijdperk noodzakelijke volume, grote rietinstrumenten ging ontwerpen. Dat werd dus de saxofoon-familie... Daarbij stonden hem aanvankelijk vooral een bariton en een bas-uitvoering (zie foto) voor ogen en de enige manier om deze 'houtblaasinstrumenten' in de gewenste afmetingen te vervaardigen was om een sterke, maar betrekkelijk eenvoudig bewerkbare messinglegering toe te passen. Alleen hiermee was toendertijd de complexe conische vorm mogelijk en dit heeft zich tot onze tijd gehandhaafd. Natuurlijk heeft het gekozen materiaal toch wel enige invloed, omdat de vrij sterke trillingen die in de buis worden opgewekt deze meer of minder doen meetrillen. Dat meetrillen zal bovendien niet bij elke frequentie even groot zijn en ook op de plaatsen waar door de applicatuur, het systeem van kleppen, assen en staanders, een sterke verstijving optreedt zullen trillingen eerder worden gedempt. Hier speelt trouwens ook de afwerking een rol, waarbij het hardere zilver over het algemeen een wat helderder klank heet voort te brengen dan goud of de gebruikelijke laklagen. In feite zou men kunnen stellen dat de body van het instrument, samen met alle genoemde variabelen, als een effectief acoustisch filter voor de grondtoon fungeert. Het is in eerste instantie het riet dat deze basistoon voortbrengt, waarbij het mondstuk echter een goede tweede vormt omdat dit de uitslag en de beperkingen ervan bepaalt en zo tevens de efficiency. De krachten die op een mondstuk inwerken moet je daarbij niet onderschatten - in feite wordt duizenden malen per seconde het riet heen en weer geslingerd en daarbij onzacht tegen de tip en de rails van het mondstuk gesmakt. Het is bijna onontkoombaar dat er plaatselijke vervormingen kunnen optreden en dus speelt hier materiaalkeuze, samen met de vorm, een zekere rol. Het is echter van belang in te zien dat verder vrijwel uitsluitend de boring van het instrument bepaalt welke boventonen en dus ook wat je als kenmerkend geluid te horen krijgt. Het verschil tussen een klarinet en een saxofoon bijvoorbeeld is dat de eerstgenoemde grotendeels een cylindrische boring bezit en de saxofoon een conische. Dit gegeven bepaalt, samen met de lengte van de buis waar zich de buiken (de plaats waar de lucht het meest in beweging is) en de knopen (de plaats waar de lucht in rust is) zullen ontstaan. Wordt een toongat geopend dan zal op die plaats een eerdere knoop een buik kunnen worden, maar het is duidelijk dat zo'n toongat zich dan wel precies op de juiste plaats dient te bevinden. Is dat niet het geval dan zal de toon niet echt goed klinken, maar mat en voos en misschien zelfs echt vals. Daarbij speelt echter ook de grootte van het gat zelf en de afstand tot de geopende klep een rol. En verder is ook een goede afdichting van de polster en de toepassing van een resonantieplaatje van invloed. Er is weliswaar nog een belangrijke factor en dat is of de buis aan één kant gesloten is (zoals bij rietinstrumenten) of aan beide kanten open zoals bijvoorbeeld een dwarsfluit, maar we beperken ons hier tot de saxofoon. De grootste invloed kun je verwachten van de delen die direct aan het mondstuk grenzen zoals de nek en om die reden worden ook wel speciale zilveren nekken toegepast. Hier is trouwens ook iets merkwaardigs aan de hand door de traditionele manier waarop het mondstuk is bevestigd. Omdat dit over het kurk van de hals wordt geschoven ontmoet de ingeblazen lucht een obstakel in de vorm van een vrij dikke ring en het kan haast niet anders of de lucht raakt hier in een flinke werveling met onvoorspelbare gevolgen. Met moderne constructiemethoden zou dit probleem beslist op te lossen zijn, maar dat zou meteen ook aan alle bestaande mondstukken en instrumenten voorbijgaan. De geheel nieuw geconcipieerde saxofoon van Jim Schmidt is zo'n instrument, dat bovendien ook een totaal andere speelwijze vergt. Een aardige illustratie van het feit dat het materiaal van een saxofoon er maar weinig toe doet zijn de merkwaardige saxofoons die uit bamboe worden gemaakt. Een ander materiaal dat niet direct voor de hand ligt is PVC-pijp, waarmee ook klarinet- en schalmei-achtige instrumenten en natuurlijk dwars- en panfluiten kunnen worden vervaardigd. Befaamd is verder de uit de 50er jaren afkomstige Grafton-alt uit acryl waarmee o.a. Charlie Parker en Ornette Coleman ooit de wereld wisten te verbazen. Als laatste, maar zeker niet de minste factor moeten we natuurlijk de bespeler noemen, die juist bij een flexibel blaasinstrument als de saxofoon zo'n grote inbreng heeft. En dit vooral in de jazz waar je al na een paar noten weet of het Coleman Hawkins, Lester Young, John Coltrane of Ben Webster is die je hoort. Het is juist dit karakter dat de saxofoon tot zo'n uniek instrument maakt en het is treurig te bedenken dat Adolphe Sax dit weliswaar allemaal heeft bedacht, maar de grote triomftocht van zijn geniale uitvinding niet meer heeft kunnen meemaken...