Dop
![]()
Om het mondstuk te beschermen wordt er na het spelen een dop geplaatst. De maat van de dop is afhankelijk van de maat van het mondstuk
Tipopening

Dit is de afstand tussen de tip van het riet en de tip van het mondstuk. De tipopening wordt aangegeven in 100ste milimeters aangegeven.
Een mondstuk met een kleine tipopening geefte meer weerstand en zorgt voor een donkere klank. Bij een kleine tipopening wordt een harder rietje gebruikt. Een mondstuk met een grotere tipopening blaast o.a. makkelijker, geeft een fellere klank en meer volume (o.a. meer geschikt voor jazz / pop).
Baanlengte
De afstand waar het riet vrij loopt langs het mondstuk is de baanlengte. Deze wordt aangegeven in mm bijv. 22 mm.
Baffle
Zo noemt men het plafond van de kamer. Met een lagere baffles wordt een fellere en heldere klank verkregen, terwijl een hoge baffle een donkere klank geeft
Rietbinder

Een rietbinder zorgt ervoor dat het rietje op zijn plaats blijft. Ook in rietbinders bestaan er vele variaties, de keuze is teneerste afhankelijk van het mondstuk. Daarnaast kunnen rietbinders ook invloed hebben op de klank.
Hals
De hals is het begin deel van het mondstuk. De meeste mondstukken zijn gemaakt van eboniet (soort hard rubber). Andere materialen (in volgorde van gebruik) zijn: metaal, plastic of hout. Belangrijkere invloed op de klank heeft de tipopening, de baffle of de kamer.
Tafel

Met de tafel wordt het vlakke gedeelte bedoelt waarop het rietje ligt, sommige tafels lopen iets holler zodat het rietje nog iets vrijer kan trillen.
Kamer

Binnen een mondstuk bevind zich een kamer. Ook in de grootte van de kamer zijn er verschillen. Deze heeft invloed op de klank, zo brengt een grote kamer een rondere klank, en een kleine kamer een scherpere klank voort.
Kurk
Het kurk geeft een goede en dichte aansluiting op de saxofoon. Om de conditie van het kruk optimaal te houden is er speciale kurkvet.
Elke saxofoon heeft een passend mondstuk nodig en het is juist dit onderdeel dat samen met het riet het belangrijkste aandeel heeft aan de toonvorming. Het is niet goed bekend wat uitvinder Adolphe Sax er voor opvattingen over had, want er is in zijn papieren weinig over te vinden, behalve globale tekeningen. Wel is duidelijk dat zijn (houten) mondstukken bedoeld waren voor klassiek gebruik, waarbij de tonaliteit en flexibiliteit van het instrument over het hele toongebied van belang was. Zodra de saxofoon de danszaal betrad ontstond er echter een heel andere generatie mondstukken, hetgeen met name de legendarische - klassieke bespeler - Sigurd Rascher diep betreurde.
Adolphe Sax zelf paste houten mondstukken toe zoals die in die tijd ook op klarinetten werden gebruikt. Goed te bewerken en met aantrekkelijke eigenschappen als sterkte en flexabiliteit, maar tevens met de nadelen van een natuurproduct: weinig consistent. Ook stamt al uit hetzelfde jaar dat het saxofoonpatent werd verleend (1846) de ontdekking van het materiaal dat nog steeds door velen als ideaal wordt bestempeld: hardrubber ofwel eboniet. Dit onstaat door natuurrubber onder druk en bij hoge temperatuur te laten reageren met zwavel en bezit zowel voldoende sterkte als de taaiheid waardoor de aanzienlijke krachten die erop inwerken goed worden doorstaan.
Natuurlijk
werd geprobeerd om te ontkomen aan het saaie donkergrijs/zwart van dit
materiaal en dat lukt vanzelfsprekend uitstekend met onze moderne
kunststoffen. Het transparante acrylaat bijvoorbeeld, maar dat heeft
toch ook niet doorgezet. Iemand die daar in de 30er jaren al wel goed
in slaagde was altsaxofonist Arnold Brilhart
met zijn witte Tonalin mondstukken, waar je in filmopnamen o.a. Charlie
Parker wel op ziet spelen. Het is zelfs zo dat goede exemplaren, mits
deze zijn voorzien van de originele en uitstekend gevormde stropjes
(zie foto), nog steeds honderden dollars opbrengen.
Ook begon men in die tijd te experimenteren met metaal en vooral de uit messing vervaardigde Otto Link 'Tone Master' was bij jazzblazers als Hawkins en Webster populair. Metaal heeft uiteraard het voordeel dat het beter bestand is tegen vervorming en beschadiging, maar een nadeel is de moeilijker bewerking waardoor ze ook een stuk duurder zullen zijn. Omdat messing en speeksel niet goed samengaan is meestal een beschermende laag aangebracht van een harde lak of van 24-karaats goud. Andere mondstukken worden uit roestvrij staal, brons of zelfs keramiek gemaakt.
Dat mondstukken de geesten druk bezighouden blijkt wel uit het grote
aantal mensen en firma's dat zich met ontwerpen en maken van dit
essentiƫle onderdeel bezighoudt. Tot de meer bekende behoren zeker Ron Coelho,
die ook het nodige aan nuttige informatie over hun grote passie met je
wenst te delen, en de legendarische Jon Van Wie, die helaas 2 april
2003 op 45-jarige leeftijd overleed. Veel achtergrond-informatie is
verder te vinden in Theo Wanne's 'Mouthpiece Heaven' en bij Paul Coates.
In Parijs is er het kleine atelier van Lebayle dat met veel persoonlijke inzet en vakmanschap het ultieme mondstuk probeert te realiseren. En ook in Nederland zijn enkelen gegrepen door de vele verborgen mysteries van het mondstuk. Paul Lanfermeijer bijvoorbeeld, die je op aanvraag ook graag een boekje in Word-formaat over mondstukken opstuurt. Nog meer geldt dit voor Marten Postma die jarenlang experimenteerde vanuit een heel eigen benadering van het hoe en waarom van het mondstuk in relatie tot de saxofoon zelf en daarbij verrassende resultaten behaalde - zijn gehele mondstukkenverhaal is als pdf-file te downloaden.
Waarschijnlijk zijn geen twee mondstukken helemaal hetzelfde, maar toch is het vreemd dat er zo weinig pogingen werden ondernomen om de jacht op het ideale mondstuk - die voor veel saxofonisten hun hele leven kan duren - op een wat meer systematische aanpak te stoelen. Dat is in elk geval de mening van Henk Rensink, die inmiddels zo'n beetje is uitgegroeid tot onze nationale mondstukkenspecialist, niet alleen voor saxofoon en klarinet, maar vooral ook voor een grote verscheidenheid aan koperinstrumenten. Met het meten van de luchtstroom en longinhoud, de lipspanning en natuurlijk het proefblazen op een van de honderden modellen die hij voorradig heeft, kan de zoektocht drastisch worden bekort.
Ruwweg kun je twee belangrijke hoofdgebieden aan een mondstuk onderscheiden, de opening naar de bespeler toe en de ruimte daar vlak achter, ofwel de kamer. Het eerste is het meest complex en heeft, in combinatie met het riet, ook de grootste invloed op de klank. Juist het feit dat het hier een enkelriet betreft maakt de zaak ingewikkeld - bij een dubbelriet als bij de hobo volstaat hier immers een simpel rond buisje. Het mondstuk heeft wat het riet betreft een tweeledige taak die bestaat uit zowel een krachtige ondersteuning als het verschaffen van een zo groot mogelijke vrijheid van bewegen - een echte vrijheid in gebondenheid...
Wat het echt ingewikkeld maakt is de enorme beinvloeding op de luchtstroming en dus op de acoustische eigenschappen door hele kleine variaties in de opbouw van het mondstuk. Dit in combinatie met de vele manieren waarop de bespeler invloed uitoefent op de aangedragen luchtstroom. Lichaamshouding, emotie, soort ademhaling, mondholte, gebit en stembanden, dat alles levert een bijdrage. Vergelijk het maar met een (opera)zanger(es) waar ook letterlijk alles met elkaar samenhangt. Het zijn voor een flink deel onbewuste processen, maar ook daarbij speelt oefening natuurlijk een grote rol.
Onder 'embouchure' verstaat men over het algemeen alles wat een directe invloed op het riet uitoefend, zoals de gelaatsspieren, de tong en vooral de onderlip. Ze wordt verkregen door oefening, maar vooral bij de werking van die belangrijke onderlip speelt ook de weefselstructuur zelf een rol en daar kun je niets aan veranderen. Vergelijk het met hardlopers waar training vanzelfsprekend het allerbelangrijkste is, maar de structuur van de spieren uiteindelijk toch het verschil tussen winnen verliezen kunnen uitmaken. De 'vader van de tenorsax', Coleman Hawkins zei dan ook 'I was fortunate to have a strong lip'.
Dat kun je wel zeggen ja, hij speelde tenslotte op een speciaal voor hem aangepast Otto Link-mondstuk met een tip-opening van 190 (in duizendste inches), waar de meeste echt sterke spelers niet hoger dan 120-130 hanteerden. En dat dan ook nog met een zwaar riet. Een goede embouchure-oefening is overigens om met alleen het mondstuk een serie zuivere tonen voort te brengen. Zie '"Buzzing" the Saxophone Mouthpiece' van Brian Utley (compleet met een video-presentatie) en Paul Coates op 'Sax on the Web'.
Wanneer er door de speler druk wordt uitgeoefend op het riet dan buigt het in de lengte om de iets gekromde zijstukken, de 'rails', heen en het is duidelijk dat de vorm hiervan, de 'baan', een grote invloed uitoefent. Ook trouwens de opening aan de tip van het mondstuk. Dit weer in samenwerking met de elasticiteit van het riet, die bij natuurlijke rieten nooit helemaal constant zal zijn. Een ander aspect is dat het riet met een razende snelheid heen en weer beweegt en dat dit dus flinke mechanische belastingen met zich meebrengt. Het mondstuk moet dit aankunnen en niet vervormen en ook niet snel beschadigd raken, want dat levert lekkages op langs zij- en achterkant.
De wijze waarop de luchtstroom wordt gestuurd is eveneens belangrijk en door vernauwingen kan deze ineens sterk versneld raken, het zogenaamde 'venturi-effect' dat ook bij raketmotoren een belangrijke rol speelt. Zo'n vernauwing kan worden aangebracht in de vorm van een 'baffle', een lichte uitstulping dicht bij de tip van het mondstuk, maar ook de dikte bij de tip zelf is hiervoor van belang. Het geluid krijgt door zo'n versnelling meer energie, meer power, en dat wordt vooral door veel moderne jazz- en rockspelers op prijs gesteld. Hoewel het trillen van het riet het eigenlijke geluid voortbrengt is dit allemaal van grote invloed op het karakter van de klank.
Waar professionele klarinettisten nog wel eens teruggrijpen op een koordje om hun riet vast te zetten, wordt bij de saxofoon algemeen een metalen rietbinder toegepast. In de laatste tijd zie je echter ook vaker flexibele bevestigingen, die dan meestal uit een taaie kunstofsoort of het sterke neopreen worden vervaardigd. Omdat een te grote plaatselijke kracht op het riet dit inderdaad zou kunnen samenpersen, waarmee ook de trillingseigenschappen kunnen veranderen, lijkt dit niet zo gek. Men claimt verder dat door het elastischer geheel een wat donkerder klank zou ontstaan. Vaak past men trouwens ook metalen inzetstukjes toe die eveneens invloed heten uit te oefenen.
Ook de vorm van de middelste ruimte binnen het mondstuk, heel toepasselijk de 'kamer' genoemd, werkt als een filter en beinvloedt zodoende de klank. In het algemeen leidt een grotere kamer naar een donkerder en warmer geluid en een smallere naar een wat hardere, meer geprononceerde 'presense'. Ook de vorm van de kamer kan verschillen, rond of vierkant, cylindrisch of conisch, en ook dat heeft allemaal een zekere invloed. Bij een goed ontworpen mondstuk zal men er verder naar hebben gestreeft om de tonale karakteristieken van de onderdelen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen door bijvoorbeeld geen hoge baffle te combineren met een ruime kamer.
Een ander belangrijk aspect waar men niet zoveel aan kan wijzigen is de aansluiting op de hals van de saxofoon zelf. Anders dan bij een klarinet waar het mondstuk in het zogenaamde 'tonnetje' wordt gestoken, schuift die bij de saxofoon over de hals heen. Met als gevolg dat de metalen rand hiervan en de dikte van het bevestigingskurk als zich obstakel in de trillende luchtstroom bevinden. Een alles behalve gunstige situatie, maar die vrijwel niet meer is te veranderen zonder de bestaande instrumenten en mondstukken buiten te sluiten. De instrumentmaker Jim Schmidt past het echter wel toe op zijn helemaal nieuw ontworpen 'chromatische' saxofoon.
Mondstukkenspecialist Jon Van Wie vertelde ook ergens hoe hij bij een bestaand mondstuk eerst met behulp van epoxy zoveel nieuw materiaal in de boring ervan aanbracht totdat deze inderdaad gelijk werd aan de binnendiameter van de saxofoonhals. Vervolgens moest hij net zolang frezen totdat de saxofoonhals genoeg in het mondstuk stak om de juiste stemming te realiseren. Het probleem is echter dat je altijd een zekere verstemming nodig hebt, hetgeen zou pleiten voor een (waarschijnlijk te kostbare) schroefconstructie zoals indertijd bij de Conn 6M altsax werd toegepast.
Een van de oudste saxofoonproducenten is het Franse Selmer, dat de oorspronkelijke fabriek van Adolphe Sax overnam en zich ook in de USA verstigde. Vanzelfsprekend voeren zij ook een een complete lijn mondstukken. Een ander bekend Frans merk is Vandoren. Het was echter vooral in Amerika waar een heleboel merken mondstukken ontsproten, zoals het al genoemde Brilhart en Otto Link, met daarnaast Meyer (samen met Otto Link ondergebracht bij J.J.Babbitt), Berg Larsen en Beechler. Meer recent zijn daar nog een heleboel kleinere, gespecialiseerde bedrijven bijgekomen zoals Dukoff, Runyon, Coelho en Espina. Daarnaast het Engelse merk Lawton en de bekende Japanners Yamaha en Yanagisawa.
Helaas hanteren fabrikanten nogal verschillende methoden om de variabelen van hun mondstukken te rubriceren. Het meest exact zou de opening bij de tip kunnen zijn en vaak wordt deze dan ook in duizendsten van inches aangegeven, maar zelfs hier blijkt de ene inch niet exact gelijk aan de andere te zijn. Bij veel merken wordt een nummering gehanteerd die ongeveer loopt van 4 (ca. 0.040 duizendste inch) tot 10 (0.130). Tussenwaarden worden daarbij meestal met een * aangegeven. Bij weer anderen wordt de reeks vertaald naar een schaal van 40 naar 130.